TEXT_SIZE

Oranjetip (Anthocharis cardamines)
Het oranjetipje “Anthocharis cardamines” is een dagvlinder uit de familie Pieridae, de witjes. Het imago kent seksueel dimorfisme. Het mannetje heeft een grote oranje vlek aan de vleugeltip van de voorvleugel, die bij het vrouwtje ontbreekt. De onderkant is geelgroen van kleur.

De vleugellengte is ongeveer 20 millimeter. Het oranjetipje is momenteel zelfs zeer algemeen. De grootte van het areaal (verspreidingsgebied) van het oranjetipje is vrij constant gebleven gedurende de 20ste eeuw. Het verspreidingsgebied loopt van Schotland naar het zuiden. Het oranjetipje komt in grote delen van Europa voor, waaronder Nederland en België, van Noord Scandinavië tot Zuid Spanje en van West Frankrijk en Groot Brittannië tot China. Het oranjetipje leeft in matig vochtige gras- en hooilanden in de buurt van bossen, maar ook in beschutte tuinen waar één of meer van de waardplanten groeien. De vlinder vliegt in één generatie per jaar van begin april tot begin juni (met een piek tussen 20 april en 10 mei). Het is een vrij honkvaste soort. De wijfjes zetten de eitjes afzonderlijk af op of net onder de basis van vrij grote bloemen van bloeiende planten van voornamelijk Look-zonder-look (in bosranden of langs bospaden) of Pinksterbloem (in vochtige hooilanden). Het grootste deel van de eitjes wordt gelegd op bloemen die jonger zijn dan acht dagen, omdat ze nadien te hard worden om te eten. Naast deze twee waardplanten worden ook sporadisch andere kruisbloemigen gebruikt en in tuinen worden ook eitjes afgezet op de Tuinjudaspenning. De waardplanten waarop eitjes afgezet worden, staan meestal in de volle zon in of vlakbij de bosrand of aan de rand van een breed bospad op plaatsen waar de luchtvochtigheid vrij hoog is. Als er groepen waardplanten dicht bij elkaar staan, worden de eitjes gelegd op de planten die aan de rand van een dergelijk groepje staan. Bij het afzetten van het eitje legt het wijfje ook een geurspoor (feromoon) op de plant waardoor volgende wijfjes minder geneigd zullen zijn een bijkomend eitje af te zetten. Rupsen van het klein geaderd witje worden soms op dezelfde planten gevonden als die van het oranjetipje, maar beide soorten zijn geen concurrenten van elkaar omdat ze andere delen van de plant eten. Rustende rupsen liggen op de zaadknop en zijn dan vrij goed gecamoufleerd. De jonge rupsen eten aanvankelijk van de bloemen van de waardplant, later van de vruchten. Parasitoïden (zijn organismen die op een gastheer moeten leven voor hun ontwikkeling en die gastheer uiteindelijk doden) van de rupsen zijn sluipwespen van het genus Trichogramma, de sluipwesp Apanteles saltator en de sluipvlieg Phryxe vulgaris. Op pinksterbloem hebben de rupsen echter minder last van deze parasitoïden dan op andere kruisbloemigen. Sommige poppen kunnen zelfs twee jaar na elkaar overwinteren. Mannetjes komen ongeveer een week vroeger dan de wijfjes uit en worden, door hun opvallende oranje vleugeltip, vaker gezien dan wijfjes, ook op plaatsen waar geen waardplanten staan. Het oranjetipje geniet geen wettelijke bescherming. In Vlaanderen en België is de soort momenteel niet bedreigd en ook op Europese schaal is ze niet bedreigd.

Uitgiftedatum 6 oktober 2014
Formaat van de postzegel : 30 mm x 25 mm
Illustrator Marijke Meersman

Share on facebook