TEXT_SIZE

Tweekleurig hooibeestje (Coenonympha arcania)
Het tweekleurig hooibeestje “Coenonympha arcania” is een dagvlinder uit de onderfamilie Satyrinae dit is een onderfamilie van dagvlinders die de zandoogjes en erebia’s omvat. De lengte van de voorvleugel is circa 18 mm.

De bovenkant van de voorvleugel is oranje met een donkerbruine rand en de bovenkant van de achtervleugel is bruin. Op de onderkant van de achtervleugel bevindt zich een rij oogvlekken en een alleenstaande, bruingeringd oogvlek. Aan de buitenkant van de rij oogvlekken loopt een zilverkleurige streep, aan de binnenkant ligt een breed wit veld dat langer is dan de rij vlekken. Het mannetje is iets kleiner en heeft kortere en spitsere vleugels dan het vrouwtje. De tekening is variabel, soms kunnen er stippen ontbreken. Bij het zilverstreephooibeestje is het witte veld op de onderkant van de achtervleugel smaller en niet langer dan de rij oogvlekken. Het tweekleurig hooibeestje is een uit Nederland verdwenen standvlinder, die voor het laatst is waargenomen in 1988. De soort kwam vooral voor op de Veluwe. In Vlaanderen dwaalgast, in Wallonië mogelijk kwetsbaar. Dichtst bijgelegen populaties in Ardennen en Eifel. De vliegtijd is begin juni - half juli. De vlinders voeden zich met nectar van kruidachtige planten en met dauwwater. Het tweekleurig hooibeestje vliegt op droge tot matig vochtige graslanden en grazige plekken langs bosranden en struwelen. Binnen bepaalde regio's kan deze soort algemeen voorkomen. De vlinders zijn actief en vliegen veel, zodat ze niet moeilijk te vinden zijn. De mannetjes zitten graag in het struweel te zonnen en achtervolgen van daaruit langs vliegende vrouwtjes. 's Avonds verzamelen de vlinders zich bij struweel en bosranden om er in slaapgroepen te overnachten. Het vrouwtje legt de eitjes één voor één of in korte rijtjes op de bladeren van grassen. Als waardplanten fungeren onder andere Poa (beemdgras), Agrostis (struisgras), Melica (parelgras), Festuca (zwenkgras) en veel andere soorten, waarbij de voorkeurssoort van regio tot regio kan verschillen. De rups overwintert halfvolwassen in een graspol. Onderin het gras vindt ook de verpopping plaats. Het tweekleurig hooibeestje vliegt in één generatie, in juni en juli, per jaar. Niet op de Britse eilanden, maar overigens verbreid in bosachtige gebieden over een groot deel van Europa en west Azië. Verdwenen standvlinder op de Veluwe. De vraag is dus welke grassoorten van belang zijn voor de rupsen van het hooibeestje. In totaal zijn 22 soorten grassen en zeggen getest op hun geschiktheid als waardplant voor het hooibeestje. Voor acht soorten legden de rupsen in keuzeproeven een voorkeur aan de dag en opvallend was dat de cultuurvariëteit van Engels raaigras (Lolium perenne) daar een van was. De geprefereerde grassen die gewoonlijk een bestanddeel vormen van de vegetatie waarin hooibeestjes voorkomen zijn breed fakkelgras (Koeleria pyramidata), buntgras (Corynephorus canescens), fijn schapengras (Festuca ovina tenuifolia) en pijpenstrootje (Molinia caerulea).

Uitgiftedatum 6 oktober 2014
Formaat van de postzegel : 30 mm x 25 mm
Illustrator Marijke Meersman

Share on facebook